Zes weken.

ZES.

WEKEN.

Ik zeg het nog een keer, vooral voor mezelf:

ik heb al zes weken niet gesport.

Niet omdat ik een nieuw spiritueel experiment doe.

Niet omdat ik ineens zen ben.

Maar omdat mijn lijf zei:

“Ho eens even. Jij even niet.”

Dit zou ik uit mezelf nooit gedaan hebben.

Nooit.

Ik bedoel: ik adem sport.

Ik lééf wat ik doe.

En ja, ik weet heus wel dat je je identiteit niet uit externe dingen moet halen zoals sport of werk — echt, dat snap ik —

maar als je ergens zó mee verweven bent,

dan sluipt het er soms gewoon stiekem in.

Heel menselijk.

Blijkt.

 

Twee keer stilgezet: blessure én ziek

Voor de duidelijkheid:

dit was geen één-ding-verhaal.

Ik heb al weken een flinke blessure waardoor ik niet kan trainen zoals ik gewend ben.

Bewegen kan gelukkig wel — en dat doe ik — en lesgeven gelukkig ook.

maar zelf trainen zoals ik dat normaal doe?

Nope.

En alsof dat nog niet genoeg was,

was ik laatst ook gewoon ff echt ziek. En ik ben eigenlijk nooit echt ziek.

Dus niet dat  “Ik voel me wat mweh.” En we gaan doorrr.

Maar:

kotsen, zweten, compleet leeg.

Het soort ziek waarbij je ’s nachts denkt:

als dit het einde is, doe iedereen de groeten.

Twee totaal verschillende situaties.

Maar hetzelfde effect:

stilstand.

 

En zodra jij stopt, draait de wereld door (de grote poppenkast)

 

En dit is het moment waarop je het ineens ziet:

de wereld is eigenlijk één grote poppenkast.

Iedereen rent.

Iedereen doet.

Iedereen houdt iets hoog.

Iedereen zegt:

“Ja hoor, gaat goed!”

Werk.

Gezin.

Sport.

Gezondheid.

Ambities.

We doen allemaal maar wat.

Ik ook.

Tot ik even niet mee kon doen.

En dan zie je het pas echt.

 

De moedermaffia op het schoolplein

Ziek zijn als moeder is sowieso een aparte tak van sport.

Zonder warming-up.

Zonder medaille.

Je ligt ’s nachts je longen eruit te kotsen.

Je ziel heeft tijdelijk het pand verlaten.

Maar om 08.30 uur sta je daar.

Op het schoolplein.

“Gaat het?”

Ja hoor Gerda.

Fantastisch!

Ik heb vannacht alleen mijn complete bestaan eruit gegooid,

maar verder echt top.

En zeg eens eerlijk:

het mag eigenlijk nooit níét goed gaan.

Zodra je echt zegt hoe het gaat,

worden mensen ongemakkelijk.

Dus glimlachen we.

Ritsen we onze jas dicht.

En spelen we het spel.

Poppenkast open.

 

Maar hier kwam iets anders binnen

En ergens tussen die zes weken stilstand,

die blessure en dat ziek-zijn

bleef één gedachte hangen:

Aan het eind van de dag zijn we eigenlijk maar mensen.

We vallen. We breken. We willen soms opgeven.

En dan rapen we onszelf weer op.

Niet omdat we zo sterk zijn.

Maar omdat het leven doorgaat.

En misschien — heel misschien —

zit kracht niet altijd in doorgaan,

maar soms juist in zachter worden.

 

Ja, zelfs dat stemmetje over afvallen

Ziek → minder eten → iets afvallen.

Je voelt je ellendig.

Je weet: vocht. Tijdelijk.

En tóch denkt een deel van je:

“Toch ff lekker wat kilo’s kwijt.”

Niet trots.

Wel eerlijk.

Ook dat hoort bij mens-zijn.

We zijn soms een wandelende tegenstrijdigheid.

En dat is blijkbaar inbegrepen bij het pakket.

 

Misschien is dit wel de les

Misschien gaat dit hele verhaal niet over sport.

Of over ziek zijn.

Misschien gaat het over beseffen

dat we allemaal breken en allemaal weer doorgaan,

op onze eigen manier.

Dat zachtheid geen zwakte is.

Dat herstellen óók kracht is.

En dat even niet kunnen —

hoe ondenkbaar ook —

soms precies is wat je nodig hebt.

Zes weken niet sporten.

Ik had het nooit zelf gekozen.

Maar ik neem er wel iets van mee.

En dat voelt… verrassend oké.